zondag 11 mei 2014

Elissa

 Q A R T   H A D A SJ T
==================
 
De oorsprong van Carthago ligt in het oosten.
------------------------------------------------------
 
Ergens tussen 832 en 821 v.C sterft de koning Mattan I te Tyrus. Volgens Flavius Josephus (Tegen Appion I, 18, 124) leefde hij maar 32 jaar en regeerde 9 jaar. Over zijn exacte regeerperiode bestaat verschil van mening. Bijvoorbeeld:
                                                                                              v.C
- Dictionnaire de la civilisation Phéniciens et Punique     c.840-832
- Les relations entre les cites de la côte Phénicienne
  et les royaumes d’Israel et du Juda                                 c.830-821
- History of Tyre / H.J.Katzenstein                                   c.829-821
- Geschichte des Altertums / E.Meyer                              c. 849-821
- The Phoenicians / D.Harden                                           c.853-821
 
Ik meen, dat de meest waarschijnlijke regeerperiode 836-827 v.C is, waarover ik in mijn boek “De regeerders van Tyrus” al uitvoerig geschreven heb.
 
Deze Mattan I laat twee kinderen na. Volgens Flavius Josephus (Tegen Appion I, 18, 125) laat Matténos een opvolger Phygmalion na, die 56 jaar leefde en 47 jaar regeerde. In het 7e jaar van zijn regering vluchtte zijn zuster en stichtte in Libyë de stad Carthago. Volgens Flavius Josephus is Phygmalion dus 9 jaar, als hij begint te “regeren”. Volgens Justinus was Pumayyaton (zijn echte naam!) 11 jaar bij het begin van zijn “regering” en moest hij volgens de wil van Mattan I samen regeren met zijn zuster Elissa. Het zou echter voor Pumayyaton hebben gekozen en de adel wijkt dan na 7 jaar met Elissa uit naar een nieuwe bestemming.
Dit is in kort de voorgeschiedenis van Carthago in het oosten.
 
Niet alleen Flavius Josephus (voor 95 na Chr) noemt deze periode. Talloze andere klassieke schrijvers leveren hun bijdrage. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden naar de mate waarin zij dat doen:
- algemene informatie, zoals door welk volk werd Carthago gesticht;
- wanneer werd Carthago gesticht;
- het verhaal van de gebeurtenissen in het oosten;
- het verhaal van de stichting in het westen.
 
 
 
 

 
 
Algemene informatie.
--------------------------
 
Q.Ennius.
Deze dichter uit het begin van de 2e eeuw v.C zet de stamboom in twee zinnen neer.
De Puniërs, afstammelingen van Dido.” (Priscianus VI, 21D, 10H).
De Puniërs, afstammelingen van Tyrus (Sarra).” (Probus aan Virgilius, Georg.II 506).
 
Arrianus.
In het midden van de 2e eeuw v.C schrijft hij in zijn Anabasis:
“...... ‘Theores’(?) van Carthago kwamen van de hoofdstad om Herakles te eren volgens een oud gebruik.” (II,24,5).
Carthago wordt kennelijk als de hoofdstad gezien en voor Herakles moet je Melqart lezen.
 
Cato de oudere.
Voordat de man in 149 v.C sterft vermeldt hij nog wel even de stichting van Carthago.
Dat was wel het minste wat hij mocht doen.
“Deze stad, zoals Cato bevestigt in een rede in de senaat, werd gebouwd door Elissa, een vrouw van Fenicische afkomst, en wel in de tijd, dat koning Iapan de macht uitoefende in Libyë. Zij noemde het Carthada, dat in de taal van de Feniciërs, nieuwe stad betekent.” (Solinus XXVII,10).
 
Strabo.
In het eerste kwart van de eerste eeuw na Chr meldt Strabo het volgende:
“Dit is een stichting van Dido, die een groep uit Tyrus meenam. De kolonisatie was zo succesvol voor de Feniciërs evenals voor de kolonisaties tot in Iberië en onder andere ook het deel van Iberië, dat buiten de zuilen ligt, zodat de Feniciërs nu het beste deel van het Europese vasteland bezitten alsmede de naburige eilanden, die zij in bezit hebben genomen en alles in Libyë, waar een ander dan nomadisch leven mogelijk was. Met deze macht werd hun stad een rivaal voor Rome, waarmee zij drie grote oorlogen tegen de Romeinen hebben uitgevochten”
(XVII,3,15, C832).
 
De bijzin: “waar een ander dan nomadisch leven mogelijk was” is interressant. Dat slaat zeer waarschijnlijk op de kuststreek met de vele havens erlangs. De naam Dido komt voor, maar dit is slechts een bijnaam. Haar werkelijke naam is anders.
 
Pomponius Mela.
In 43/44 na Chr schrijft hij in De Chorographia libri tres:
“Utica en Carthago, allebei vermaard, alle twee gesticht door de Feniciërs.”
(I,7 [34]).
 
Plinius de oudere.
In 77 na Chr schrijft hij in zijn Naturalis Historiae:
“(Tyrus) ..... vroeger vermaard door zijn afkomst, zij die heeft voortgebracht: Leptis, Utica en die beroemde rivaal Carthago, hunkerend naar veroveringen en die ook Gadès heeft gesticht achter de bewoonde wereld.” (V 19, [76]).
Dit is niet helemaal waar, want Gadès werd eerder gesticht dan Carthago en wel door Feniciërs uit Tyrus.
 
Quintus Curtius.
Bij het einde van het Fenicische Tyrus schrijft hij het volgende:
“Gezanten van Carthago bezochten toen Tyrus om het jaarlijkse offer te vieren volgens de nationale gewoonte: Carthago was in feite gesticht door Tyrus, die haar altijd vereerd had als een moeder.”  (IV,2,10).
Een tiende van de jaarlijkse winst van Carthago gaat naar Tyrus. Nog in 332 v.C was dit gebruik dus kennelijk nog aanwezig.
Heel wat buit van door hen ingenomen steden dienden om Tyrus te verfraaien en niet minder ook in Carthago.” (IV, 3, 22).
Dit gaat over een door de Carthagers buitgemaakte Apollo te Syracuse.
 
Dionysus de Periegetes.
“Vervolgens: Carthago bevat een lieflijke haven; Carthago is tegenwoordig Libysch, maar was vroeger Fenicisch; Carthago werd afgebakend door de huid van een koe volgens de legende.” (vs.195-197).
Dionysus vindt in het begin van de 2e eeuw na Chr het verhaal over de huid zelf een legende.
 
Avienus.
Hij schrijft in de 2e helft van de 4e eeuw na Chr in Descriptio orbis terrae:
“Vervolgens liggen daar de beroemde muren van Carthago, de Tyrische, vroeger een Fenicische stad, nu gevoed door het Libysche land, zacht en rustig in vrede, maar driftig in de wrede oorlog.” (v.287-90).
 
Stephanus van Byzantium.
Hij schrijft in de 6e eeuw na Chr:
“Carthago: voorname stad in Libyë, erg opmerkelijke stad ..... Genoemd naar de Feniciër (of zoon van Phoinix) Karchedon. Zij noemde zich ook wel Kadmeia, Oinoussa en Kakkabé. Deze (laatste) naam betekent paardenhoofd volgens een inheemse uitdrukking.”
Kadmeia verwijst naar Kadmos. Oinoussa kan krachtige wijn betekenen. Kakkabé is helemaal een puzzel. In het akkadisch komt het woord qaqqadu voor, hetgeen hoofd betekent. De letters kkb en kmb komen ook voor op munten uit Sidon. Natuurlijk kan het ook gewoon een inheems woord zijn.
 
Door alle eeuwen heen zijn de Feniciërs en met name de Tyriërs de stichters van de stad.
Carthago worden nogal wat verschillende namen toegedicht, maar toch het meest Carthago, dat eigenlijk een vervorming van Qart-ḥadašt (=nieuwe stad) is.
Wanneer vond de stichting plaats?
----------------------------------------
 
De best gedocumenteerde traditionele stichtingsdatum van Carthago is 814/3 v.C. Op het eerste gezicht zou dus, als we hier even vanuit gaan, Pumayyaton in 821/20 hebben moeten gaan regeren, want Elissa zou in het 7e jaar van zijn regering zijn uitgeweken om Carthago te gaan stichten. Er zijn echter ook andere overleveringen, waarbij de stichtingsdatum van Carthago hoger of lager gesteld kunnen worden en anderszijds dienen de omstandigheden tijdens de opvolging van Mattan I nader beschouwd worden, want die zijn bijzonder. Bovendien dient ook de wijze van stichting van Carthago nader belicht te worden. Ging dat in één keer, of gebeurde dat in meerdere etappes?
 
Andere overleveringen reppen over bijvoorbeeld in nog dezelfde eeuw: 884/3, 850, 847/6 v.C als stichtingsdatum. Het is niet persé uitgesloten, dat Carthago eerder dan de jaren 814/3 v.C werd gesticht. Er zijn echter ook veel oudere of jongere stichtingsdata bespeurbaar bij de klassieke auteurs.
 
We gaan o.a. te rade bij:
Philistos van Syracuse (1e helft 4e eeuw v.C).
Hiëronymos (midden 4e eeuw v.C)
Eudoxus van Knidië (midden 4e eeuw v.C)
Timaios van Tauremenion (eind 4e / begin 3e eeuw v.C)
Cicero (106-43 v.C)
Titus Livius (59 v.C – 17 na Chr)
Velleius Paterculus (c.30 na Chr)
Appion (t.t.v.Tiberius/Claudius)
Flavius Josephus (+95 na Chr)
 
 

 
Philistos van Syracuse (1e helft 4e eeuw v.C).
“Philistos zegt, dat Carthago gesticht werd in deze tijd door de Tyriërs Azoros en Karchedon.” (FGH II B nr.556 F47).
Philistos praat over de tijd na de val van Troje. Van Elissa is geen spoor te bekennen.
De stichters lijken afgeleid te zijn van de plaatsnamen Sor (Tyrus) en Carthago zelf. Het waarheidsgehalte lijkt daarmee niet erg hoog te zijn.
 
Pseudo-Aristoteles (384-322 v.C).
In wonderlijke berichten, die toegeschreven worden aan Aristoteles, wordt in par.134 het volgende gezegd:
In het deel van Libyë, dat Utica wordt genoemd ..... dat werd gesticht, zegt men, door de Feniciërs en wel 287 jaar voor Carthago zelf, zoals is opgeschreven in de Fenicische geschiedenissen ....” (FGH III C,2 nr 794 F9).
 
Hiëronymos (midden 4e eeuw v.C)
Hij citeert Philistos in kroniek (blz 58b Helm) en plaatst de stichting door de Tyriërs Azoros (Zorus) en Karchedon (Carthago) in het jaar 802 van Abraham (=1215 v.C). Zorus is via Ṣor een afgeleide van Tyrus. Een andere verklaring kan zijn, dat het slaat op het werkwoord ‘ZR = helpen. Nog weer andere verwijzingen slaan op ‘azor = Azuri (koning van Ashdod t.t.v.Sargon II) of Badezoros (Flav.Jos.C.A.I,18).
Zo’n oude datering is niet erg waarschijnlijk gezien de archeologische resultaten, die niet verder teruggaan dan tot in de 8e eeuw v.C.
 
Eudoxus van Knidië (midden 4e eeuw v.C)
“Kort na de oorlog van Troje, zegt Eudoxus van Knidië, hebben de Tyriërs Carthago gekoloniseerd onder de leiding van Azaros en Karchedon van wie de stad zijn naam ontving.” (Euripides, Trojanen 221).
Eudoxus heeft duidelijk iets gelezen van Philistos of Hiëronymus. Hier komen we niet echt verder mee.
 
Timaios van Tauremenion (eind 4e / begin 3e eeuw v.C)
“En zo komen we eindelijk bij de in gebruikname of stichting van Rome, of welke term je hiervoor wilt gebruiken. Timaios van Sicilië zegt gebruikmakend van een mij onbekende berekening, dat het in dezelfde tijd gesticht werd als Carthago in het 38e jaar voor de eerste olympiade.”
(FGH III B nr.566 F60) Dionysos van Halicarnassus (Antiq-Rom.I 74,1).
Dit komt neer op 814/3 of 813/2 v.C (excl. of incl.). Rome en Carthago krijgen dus eenzelfde datering. Wie is van wie afgeleid? Is het berekend via een aantal generaties of was er een authentieke bron. Het sluit perfect aan bij wat Flavius Josephus te berde brengt. We zijn dicht bij de waarheid gekomen.
 
Cicero (106-43 v.C).
En Carthago zou niet zoveel rijkdom hebben gehad gedurende 600 jaren zonder regels noch discipline.” (Republica I frag.2).
Als Cicero van de verwoesting van Carthago wist in 146 v.C, dan plaatst hij hier het begin in 747/6 v.C. In andere passages van Cicero komen echter de afgeleide stichtingsjaren 815/4 en 751/0 v.C naar voren en wel van Rome, of Carthago of beiden!
Jammer, dat hij niet eenduidig is, maar hij komt vermoedelijk ook wel dicht bij de waarheid.
 

 
Titus Livius (59 v.C – 17 na Chr).
Boek XVI ging verloren en hierin beschreef hij nou net het begin van Carthago. Er zijn echter andere bronnen, die Livius aanhalen. Hij kende echter wel de betekenis van de naam Carthago:
Carthago komt van Cartha, zoals men kan lezen in de geschiedenis van de Puniërs en bij Livius.” (Aeneas I,343).
Carthago is ‘nieuwe stad’ in de taal van de Puniërs, zoals Titus Livius beweert.” (Aeneas I,366).
“---- Scipio, die inmiddels de stad verwoestte in het 700e jaar nadat zij was gesticht.” (Periocha Libri I).
Dat wordt dus 846 v.C als stichtingsdatum. Waarschijnlijk is berekening via generaties gedaan (20 x 35 jaar). Deze berekening is te kunstmatig en te vaag.
 
Velleius Paterculus (19 v.C – 31 na Chr).
“Tijdens deze periode (overgang Assyriërs/Meden) 65 jaar voordat de stad Rome werd gesticht, werd Carthago gesticht door de Tyrische Elissa, die sommigen Dido noemen.” (I.6,4).
Paterculus zet de overgang van de Assyriërs naar de Meden op c.741 v.C. Dat betekent, dat hij hier de stichting van Carthago op 817/6 v.C (741+65) stelt.
Carthago werd verwoest na 666 jaar bestaan te hebben, dat is 177 jaar voor nu, onder het consulaat van Cn.Cornelius Lentulus en L.Mummius.” (I,12,5).
Dit consulaat viel in 29/30 na Chr + 177 jaar = 148/7 v.C (verwoesting Carthago) + 666 jaar = 814/3 v.C (stichting Carthago).
“Tijdens de 6e olympiade, 22 jaar na de 1e spelen, heeft Romulus, zoon van Mars, het onrecht jegens zijn grootvader gewroken en tijdens de Parilia op het Palatijn de stad Rome gesticht. Vanaf toen gerekend to nu, het jaar, dat U consuls bent, is het 781 jaar; de gebeurtenis ligt 437 jaar na de inname van Troje.”
781 – 30 = 751 v.C. 1190 - 437 = 753 v.C. 753 + 65 = 818 v.C
Via diverse invalshoeken komt hij dicht of exact op de berekeningen van Timaios en Flavius Josephus!
 
Apion (1e helft 1e eeuw na Chr).
Deze schrijver heeft het over de exodus van de Joden.
Maar Apion, de meest zekere onder ons, heeft het vertrek uit Egypte precies vastgesteld op 7e olympiade en het eerste jaar van deze olympiade, het jaar, waarin de Feniciërs Carthago hebben gesticht.” (FGH III C nr.616 F4, Flav.Jos.C.A.II,2[17]).
Deze olympiade valt in zijn eerste jaar op: 752/1 v.C.
 
Trogus Pompeius (t.t.v.Augustus).
Hij brengt via Justinus niet precies de stichtingsdatum Carthago in beeld, maar hij geeft wel het exacte verschil tussen stichtingsdata van Rome en Carthago naar voren, namelijk 72 jaar.
Via een omweg komen we toch het begin van Carthago te weten, want elders blijkt hij uit te gaan van een generatieberekening van de koningen van Rome (33 1/3 jaar x 7 koningen = 233 jaar). Die 233 jaar overbruggen de koningsperiode in Rome (742/1 – 509/8 v.C). Tel daar de genoemde 72 jaar bij op en je komt weer bij 814/3 v.C als stichtingsdatum van Carthago.
 
Flavius Josephus (+ 95 na Chr).
In Tegen Apion schrijft hij:
“Bij de Tyriërs worden sinds erg veel jaren openbare kronieken bijgehouden, opgesteld en bewaard door de staat met grote zorg voor de zaken, die het waard zijn om herinnerd te worden, zaken, die bij hen gebeuren en hun betrekkingen met de buitenwereld. Hierin wordt gezegd, dat de tempel van Jeruzalem gebouwd werd door koning Salomon en dat ongeveer 143 jaar en 8 maanden voor de stichting van Carthago.”
Gecombineerd met de koningslijst van Eiromos tot Phygmalion kom je in ieder geval uit bij 800 – 825 v. C als stichtingsdatum voor Carthago.
 
Appianus (65 na Chr).
In zijn Romeinse geschiedenis wordt de levensduur van de stad driemaal in beeld gebracht.
“700 jaar na de stichting namen de Romeinen Sicilië en Sardinië bij hen weg en na Sicilië na een tweede oorlog Iberië.” (VIII, 1 [2]).
“..... de stad van de Carthagers .... die floreerde gedurende 700 jaar ...” (VIII,8,[51]).
“En Scipio, de stad ziende, die gedurende 700 jaar na haar stichting  floreerde ....” (VIII,19 [132]).
Tot drie maal komt het getal 700 jaar. Dat is bij benadering. Bij een exacte invulling zouden we bij 846 v.C komen als stichtingsdatum.
 
Solinus (3e eeuw na Chr).
Hij schrijft in Collectanea rerum memorabilium:
“Hadrumetum en Carthago hebben als stichter het volk van Tyrus. Ik ga hier herinneren aan het feit, dat er betrouwbare boeken zijn verschenen over Carthago: .... [citaat Cato]; weldra, toen de woorden vertaald werden in het Punisch, werd de vrouw Elissa genoemd en de stad Carthago; zij werd na haar stichting na 737 jaren verwoest.” (XXVII, 9-10).
We komen volgens deze gegevens uit bij het stichtingsjaar 883 v.C.
Hadden Elissa en Carthago dus dan hiervoor (iets) andere namen?
 
Eusebius (4e eeuw na Chr).
Zijn eigen kronieken zijn verloren gegaan, maar er is een Latijnse vertaling van Hieronymus. Daaruit komen de volgende passages:
“In het 978e jaar van Abraham werd Carthago gesticht door, zoals enigen willen, de Tyriër Karchédon of eerder, volgens anderen, door zijn zuster Dido, 143 jaar na de val Troje.”
(blz 69b Helm).
Dat wordt het jaar 1039 v.C. Dido is opeens de zuster van Karchédon geworden!
“In het 1003e jaar van Abraham: Carthago is volgens sommigen gesticht door Dido. Veel vroeger volgens anderen, zoals we hebben gezien.”
Dat wordt het jaar 1014 v.C.
“In het 1166e jaar van Abraham: Zekere personen denken, dat Carthago in deze tijd werd gesticht. Veel eerder denken anderen.”
Dat wordt het jaar 851 v.C.
“In het 1867e jaar van Abraham is Carthago door Scipio onderworpen aan de Romeinse dominantie en dat na 668 jaar, of zoals anderen zeggen 748 jaar na zijn stichting.”
In het eerste geval zijn we weer terug bij Timaios.

 
Conclusie:
 
1215    Hiëronymus
1039    Eusebius
1014    Eusebius
894      Eusebius
883      Solinus
851      Eusebius
846      Livius
c.846   Appianus
817/6   Paterculus
814      Eusebius
814/3   Paterculus
800-825 Flavius Josephus
814/3   Timaios
814/3   Trogus
752/1   Apion
747/6   Cicero
 
Alles bijeen geef ik dus duidelijk de voorkeur aan de stichtingsdatum 814/3 v.C.
 

Het verhaal in het oosten.
------------------------------
 
Maar wat ging er aan vooraf aan de stichting van Carthago in het oosten?
 
De opvolgingsomstandigheden in Tyrus na het verscheiden van Mattan I zijn bijzonder, want deze koning sterft op vroege leeftijd (32 jaar). Zijn kinderen zijn nog klein. In ieder geval is dat Pumayyaton, die op 9 of 11 jarige leeftijd zou zijn gaan regeren. Hoe oud eigenlijk Elissa was, weten we niet. Nergens staat geschreven, dat zij even oud zouden zijn geweest. Het feit echter, dat Mattan I bepaald zou hebben, dat ze samen moesten gaan regeren, doet het vermoeden rijzen, dat Elissa ouder was. Het is bij de Feniciërs niet gebruikelijk, dat een vrouw (samen) regeert en zeker niet als er een mannelijke opvolger is. Nochtans komt het later ook voor bij Ešmoenazar II met zijn moeder Amo‘Astart te Sidon.
Nu blijkt Elissa ook nog eens getrouwd te zijn met een oom en priester van Melqart (Acerbas). De combinatie van deze gegevens (ouder en getrouwd) geeft voeding aan de gedachte, dat Elissa een tijd lang regentesse is geweest, waarbij wellicht de werkelijke macht bij Acerbas lag. Als Elissa bijvoorbeeld van 827-821 v.C regentesse was over Pumayyaton, dan is het verklaarbaar, waarom zij niet opgenomen is in de koningslijst van Flavius Josephus. In dit scenario regeert dus Elissa van 827-821 v.C alleen en wel als regentesse en wordt Pumayyaton pas in 821 v.C koning, maar dan samen met Elissa. Bij het verscheiden van Mattan I zou dan Elissa bijvoorbeeld 15 jaar en Pumayyaton slechts 1 jaar geweest zijn. In het 7e regeringsjaar van het gezamelijk regeren door Elissa en Pumayyaton vlucht dan Elissa weg nadat haar echtgenoot in 814 v.C door Pumayyaton (die dan c.17 jaar oud is), is vermoord. Pumayyaton moet dan in dat jaar een eind gemaakt hebben aan het regentesseschap van Elissa en het verkapte regentschap van Acerbas door middel van een paleisrevolutie.
 
Een andere mogelijkheid is, dat Pumayyaton toch al in 827 v.C is gaan regeren en dat 7 jaar deed met zijn (waarschijnlijk oudere) zus. Na de moord op haar echtgenoot (in 821 v.C?) vlucht Elissa dan weg en wel naar het eiland Cyprus. Kition is daar de voor de hand liggende mogelijkheid. Het is zeer wel mogelijk, dat zij daar dan weer 7 jaar of minder gebruikt heeft om de grote expeditie voor te bereiden. Er bestaat een overlevering, dat Pumayyaton een expeditie overwoog om Elissa terug te halen, maar daar uiteindelijk van af zag (Justin.XVIII,5,6). Een expeditie naar Carthago zelf is al nauwelijks overweegbaar, maar een naar Cyprus zou zeer wel kunnen.
Heeft het verhaal van Elissa een historische betekenis of is het een verzinsel van diverse klassieke auteurs, die elkaar ook nog eens napraten? Heeft Elissa werkelijk wel bestaan?
 
 
 
 
 

 
Timaios van Tauromenion (eind 4e/begin 3e eeuw v.C).
Geschiedwerk Historiai:
“Theiossô: Timaios zegt, dat zij Elissa wordt genoemd in de taal van de Feniciërs en dat zij de zuster is van Pygmalion, de koning van de Tyriërs, en dat zij Carthago heeft gesticht in Libyë. Inderdaad, nadat haar echtgenoot was gedood door Pygmalion, verzamelde zij haar bezittingen in schepen en vluchtte met enige medeburgers. Na veel beproevingen te hebben doorstaan ontscheepte ze in Libyë en kreeg van de Libyërs de inheemse naam Deidô vanwege de talrijke omzwervingen. Nadat ze de voornoemde stad had gesticht en toen de koning der Libyërs haar wilde trouwen, weigerde ze dat, maar toen ze tezelfdertijd onder druk gezet werd door haar medeburgers en vrezend een soort ceremonie te moeten ondergaan bestemd om een eed af te leggen, bouwde ze een brandstapel bij haar huis, stak hem aan en gooide zich van haar verblijf in het vuur.” (FGH III B nr.566 F 82 tractatus de mulieribus VI).
 
Wat betekent Theiossô? Is het een andere naam voor Elissa/Deidô?
In ieder geval is duidelijk, dat Elissa en Dido dezelfde persoon zou kunnen zijn.
Timaios geniet in de oudheid grote vermaardheid. Hij krijgt wel stevige kritiek van Polybius (boek 12), maar daarin vermeldt Polybius toch wel het volgende: “Zelf heeft hij naar zijn zeggen zoveel kosten gemaakt en zoveel moeite moeten doen om de kronieken van Tyrus in handen te krijgen ......” Timaios schijnt dus in de Tyrische archieven gebladerd te hebben, hetgeen zijn geloofwaardigheid ten goede kan komen!
 
Virgilius (70-19 v.C).
Hij schrijft een roman gebaseerd op wat vorige schrijvers te berde hebben gebracht, maar maakt er zodanige draai aan, dat de denkbeeldige relatie met Rome erin verwerkt wordt.
“Je ziet hier het Punisch koninkrijk, een staat van de Tyriërs en van Agenoor; maar je bent in het land van de Libyërs, een onhandelbaar en oorlogszuchtig ras. De macht berust bij Dido, die gered werd van Tyrus door van haar broer weg te vluchten. Het onrecht, dat zij heeft ondergaan zal lang zijn om te vertellen en lang door al zijn verwikkelingen: ik roer slechts de meest saillante zaken aan. Haar echtgenoot Sycheus was de rijkste man van Fenicië en de ongelukkige hield erg veel van hem. Haar vader had haar als maagd gegeven en zij had hem getrouwd onder de auspiciën van een eerste huwelijk. Maar haar broer bezat het koninkrijk Tyrus. Deze Pygmalion was de meest afschuwelijke van de booswichten. Er ontstond een verschrikkelijke haat tussen de twee schoonbroers. Pygmalion, verblind door de passie voor goud, overviel en doodde Sycheus in het geheim voor het altaar. Dat was heiligschennis en gepleegd zonder medelijden voor de liefde van zijn zuster. Het voorval bleef lang verborgen; en deze ongelukkige, als gevolg van misleidingen, vergiste zich in een ijdele hoop in smart voor haar geliefde. Maar zij zag in haar slaap het beeld van haar man, zo uit het graf en het gezicht angstwekkend bleek: hij toonde haar het met bloed besmeurde altaar en zijn borst doorboord door een lemmet en hij liet haar de mysterieuze misdaad van het huis ontdekken. Daarna raadde hij haar aan een snelle vlucht voor te bereiden en om haar op weg te helpen onthulde hij haar oude schatten, die in de aarde begraven waren, een onbekende hoeveelheid zilver en goud. Ontsteld bereidde Dido haar vlucht voor en zocht metgezellen. Al degenen voor wie de tiran een felle haat of een grote vrees koesterde, voegden zich bij haar. Zij maakte zich meester van schepen, die toevallig zeilklaar waren en laden er het goud in. De rijkdommen, die Pymalion had begeerd, worden toevertrouwd aan de zee.” (I, 338-68).
Het verhaal van Virgilius komt voor een belangrijk deel overeen met dat van Timaios vele eeuwen eerder. Alleen doet hij dat veel uitgebreider.
 
De vader van Dido blijkt Belus te zijn:
“Wat mij betreft, ik herinner mij, dat Teucer naar Sidon kwam, verjaagd uit zijn land en zoekend met de hulp van Belus naar een nieuw koninkrijk. Belus, mijn vader, had het rijke Cyprus verwoest en legde het als overwinnaar zijn wil op. Het is sinds die tijd, dat ik van de val van Troje hoorde en jouw naam en die van de koningen der Grieken ken.” (I 619-24).
Belus is terug te voeren op Baal (=heer, meester). Wellicht was dit Agenoor. Het is allemaal legendarisch. Tyriërs worden ook Sidoniërs genoemd. Het loopt allemaal door elkaar heen.
 
Trogus Pompeius (t.t.v.Augustus).
Hij schrijft een Historiae Philippicae, maar hier is vrijwel alles van verloren gegaan. Justinus echter schrijft sommige stukken over.
“Voor de moord op hun meesters (door Alexander), toen zij nog rijkdom en inwoners in overvloed hadden, hebben zij (Tyriërs) Utica gesticht door de jeugd naar Afrika te zenden. Vervolgens stierf de koning ....... en die liet als erfgenamen zijn zoon Pygmalion en zijn dochter Elissa, een jonge vrouw van zeldzame schoonheid achter. Maar het volk droeg het koningschap over aan Pygmalion, die nog een kind was. Wat betreft Elissa, zij trouwde met haar oom Acerbas, priester van Hercules, die de eerste plaats innam na de koning. Hij beschikte over grote rijkdommen, maar hield die verborgen; uit vrees voor de koning, had hij zijn goud niet toevertrouwd aan het dak, maar aan de grond. De mensen waren hier onkundig van, maar er waren geruchten in omloop. Aangestoken door dit gerucht en het recht van mensen vergetend, doodde Pygmalion zonder enig medelijden dege, die tegelijk zijn oom en schoonbroer was. Elissa, die al lang een grote hekel had aan haar broer door zijn misdaad, verborg haar haat en hield haar gezicht in de plooi, terwijl zij in het geheim voorbereidingen trof om te vluchten door zich te verbinden met enkele van de voornaamste burgers, van wie zij dacht, dat zij dezelfde haat koesterden voor de koning en dezelfde wens hadden om te vluchtten. Daarna richtte zij zich tot haar broer met een list. Zij vertelde, dat zij zich bij hem wilde vestigen, omdat het huis van haar echtgenoot haar niet langer zou herinneren aan degene, die ze zou willen vergeten, het smartelijke beeld van haar rouw noch enig ander bitter denkbeeld, dat haar onder ogen zou komen. Het was niet zonder plezier, dat Pygmalion de woorden van zijn zuster hoorde, want hij dacht, dat met haar ook het goud van Acerbas mee zou komen in zijn richting. Maar toen de avond viel, liet Elissa de bedienden, die de koning had gezonden voor de verhuizing met de rijkdommen aan boord van schepen gaan en eenmaal op volle zee dwong zij de bedienden om zakken zand in het water te gooien, die zodanig waren dichtgeknoopt, dat het leek, dat die zilver bevatten. Daarna riep zij huilend Acerbas aan met een wanhopige stem. Zij smeekte hem om weer zijn rijkdommen aan te nemen, die hij had moeten afstaan en als begrafenis-offers de rijkdommen aan te nemen, die zijn dood hadden veroorzaakt. Daarna richtte zij zich tot de bedienden zelf. Zij zei, dat zijzelf al lang voor de dood had gekozen, maar dat hen verschrikkelijke martelingen en wrede kwellingen bedreigden, zij die de schatten van Acerbas aan de begerigheid van de tiran hadden onttrekken,waarvan de hoop daarop de koning tot moordenaar hadden gemaakt. Zij werden allen vervuld van vrees en zij werden tot metgezellen op de vlucht. Groepen senatoren werden die nacht gevormd en zij voegden zich bij hen en vervolgens, na een offer te hebben gebracht aan Hercules van wie Acerbas de priester was, vertrokken zij om in het buitenland een woonplaats te zoeken.” (Justinus XVIII 4,2-15).
Dit relaas gelijkt meer op het verhaal van Timaios, alleen veel uitgebreider. Virgilius is meer afwijkend. De onbekende koning, althans geïnterpreteerd, is Mutto, Multo, maar in feite Mattan. Hier slaan volk en senaat op de vlucht. Bij de andere verslagen alleen de senaat.
 
“De eerste etappe werd het eiland Cyprus, waar de priester van Jupiter aanbood op beval van de goden om met zijn vrouw en kinderen Elissa als compagnon te vergezellen op voorwaarde ten alle tijde voor hem en zijn afstammelingen de waardigheid van het priesterschap te verkrijgen. Deze voorwaarde werd als een duidelijk voorteken ontvangen. De Cyprioten hadden als gebruik om bepaalde dagen jonge meisjes voor hun huwelijk langs de zee het zilver van hun bruidschat gingen zoeken door hun maagdelijkheid te offeren aan Venus. Elissa gaf bevel om ongeveer 80 jonge meisjes te werven en aan boord van de schepen te nemen, zodat de jonge mensen een echtgenoot konden verwerven en dat de stad welvarend zou worden. Toen dit alles zich afspeelde en de vlucht van Elissa bekend werd, bereidde Pygmalion zich voor om de vluchteling te achtervolgen en een goddeloze oorlog, maar overtuigd, niet zonder moeite, door de smeekbedes van zijn moeder (!) en de bedreigingen van de goden, bedaarde hij weer. De bezielde waarzeggers zongen hem toe, dat hij er niet ongestraft van af zou komen, als hij zich zou verzetten tegen de stichting van de stad, die de meest gunstige omstandigheden van de wereld had en op deze manier hadden de vluchtingen de tijd om op adem te komen.” (Justinus XVIII 5, 1-7).
Virgilius zwijgt over deze periode, maar Timaios zegt, dat het lang duurde, voordat Elissa naar Afrika naar Afrika vertrok. Er ligt een parallel met de roof van de Sabijnse maagden.
 
Silius Italicus (80 na Chr).
Deze dichter maakt een prachtig gedicht, maar hij is geen geschiedkundige en romantiseert er dus lustig op los.
“Afstammeling van het oude ras van de Tyriërs van Barca, rekende hij (=Hamilcar) tot zijn voorouders zelfs Belus. Want, volgens Dido, beroofd van haar echtgenoot, ontvluchtte het onderworpen Tyrus, want de jonge afstammelinge van Belus was ontsnapt aan de goddeloze wapens van de sinistere tiran.” (I, 72-75).
Maar, neemt Silius Italicus toch af en toe een historisch feit mee?
 
Appianus (165 na Chr).
Hij schrijft is zijn Romeinse historie:
“De Feniciërs stichtten Carthago in Libyë 50 jaren voor de val van Troje. Zijn stichters waren Zôros en Karchédon. Of, waar Romeinen en Carthagers zelf zo denken, door Dido, een Tyrische, waarvan Pygmalion, tiran van Tyrus, de echtgenoot van had gedood en deze toedracht verborgen hield. Maar zij zag de moord in een droom en met veel rijkdommen en mensen, die de tirannie van Pygmalion wilden ontvluchten, ging zij op reis naar de engte van Libyë, waar zich nu Carthago bevindt.

 
Het verhaal in het westen.
-------------------------------
 
Timaios van Tauromenion (eind 4e/begin 3e eeuw v.C).
“Theiossô: Timaios zegt, dat zij Elissa wordt genoemd in de taal van de Feniciërs en dat zij de zuster is van Pygmalion, de koning van de Tyriërs, en dat zij Carthago heeft gesticht in Libyë. Inderdaad, nadat haar echtgenoot was gedood door Pygmalion, verzamelde zij haar bezittingen in schepen en vluchtte met enige medeburgers. Na veel beproevingen te hebben doorstaan ontscheepte ze in Libyë en kreeg van de Libyërs de inheemse naam Deidô vanwege de talrijke omzwervingen. Nadat ze de voornoemde stad had gesticht en toen de koning der Libyërs haar wilde trouwen, weigerde ze dat, maar toen ze tezelfdertijd onder druk gezet werd door haar medeburgers en vrezend een soort ceremonie te moeten ondergaan bestemd om een eed af te leggen, bouwde ze een brandstapel bij haar huis, stak hem aan en gooide zich van haar verblijf in het vuur.” (FGH III B nr.566 F 82 tractatus de mulieribus VI).
 
Silius Italicus (80 na Chr).
Deze dichter maakt een prachtig gedicht, maar hij is geen geschiedkundige en romantiseert er dus lustig op los.
 “In het centrum van de stad bevond zich een tempel, die gewijd was aan de schimmen van de doden van de stichtster Elissa en vereerd door de Tyriërs als een nationale verering. Er rondom heen beschermden de pijnbomen met hun omhullende schaduw en verborgen het voor het licht van de hemel. Het was op deze plek, vertelt men, dat de koningin zich bevrijd had van de diensten van het leven. Hij richtte er beelden op van hard mar+mer, de voorouder Belus en daarna direct van zijn afstammelingen; waaronder zich bevond Agenoor, de glorie van het ras en die zijn naam heeft gegeven aan een ver land, Phoenix. En zijzelf tenslotte is gezeten verenigd voor altijd met Sycheus; aan zijn voeten ligt het Frygisch zwaard; hij heeft er op volgorde 100 altaren opgericht, die gewijd zijn aan de de goden van de hemel en aan de krachtige Erebus. Dan, geroepen door een magisch lied, vliegen de schimmen van de doden door de lege ruimte en het gezicht van marmer van Elissa begint te zweten.” (I, 81-92, 97-98).
 
Virgilius (70-19 v.C).
Hij schrijft een roman Aeneas gebaseerd op wat vorige schrijvers te berde hebben gebracht, maar maakt er zodanige draai aan, dat de denkbeeldige relatie met Rome erin verwerkt wordt.
“Je ziet hier het Punisch koninkrijk, een staat van de Tyriërs en van Agenoor; maar je bent in het land van de Libyërs, een onhandelbaar en oorlogszuchtig ras. De macht berust bij Dido, die gered werd van Tyrus door van haar broer weg te vluchten. .....................................
Onder de leiding van een vrouw kwamen zij aan in dit land, waar je tegenwoordig enorme muren en de burcht van een nieuwe stad ziet oprijzen, Carthago. Ze kochten alle grond, die men met de huid van een stier kon afpalen, vandaar de naam Byrsa.” (I, 338-68).
 
Virgilius gaat verder:
“In het centrum van de stad was een schaduwrijk bos, waar de Carthagers, heen en weer geslingerd door de golven en de storm, sinds hun aankomst het voorteken opgroeven, dat hen was aangekondigd door de koninklijke Juno: het hoofd van een omstuimig paard, teken van hun natie van oorlogsoverwinningen en overvloedig leven door de eeuwen heen. Dido, de Sidonische, bouwde er voor Juno een grote tempel .....” (I, 441-47).
Virgilius prefereert de naam Dido, maar soms noemt hij haar toch Elissa. Vigilius staat uitgebreid stil bij de stichting van Carthago (het Byrsa verhaal). Byrsa stamt echter niet af van een stierenhuid, maar van b’rṢt = in de gebieden.
Is Juno gelijk te stellen aan Aštarte?
Dido weigert de koning van de Libyërs te trouwen. Vigilius noemt via Anna een naam:
“Dat niemand beweert nagedacht te hebben over de smart in Libyë en daarvoor in Tyrus: het zij zo. Je hebt Iarbas afgewezen en de andere chefs, die de aarde van Afrika voeden .....” (IV, 35-38).
Deze Anna wordt genoemd door Virgilius, Naevus en Varro, maar niet door Timaios.
 
Bij Virgilius komt de zelfmoord van Dido ook naar voren, waarbij ze eerst alle achtergebleven spullen van Aeneas op een brandstapel gooit:
“Toen, overmand door de smart, verloor zij het verstand toen ze besloot te sterven en zij, in haar eenzaamheid, koos in gedachten het uur en de manier. Hierna zocht zij haar zuster op, die de overstelpende droefheid, tot uitdrukking komend op haar gezicht, haar beslissing maskerend met het voorhoofd verlicht met hoop: ‘... laat in het geheim een hoog vuur maken op de binnenplaats en dat men de wapens neemt, die hij heeft achtergelaten aan de muren van zijn kamer, de goddeloze, en al zijn kleding en de bank, waar wij zijn verenigd tot mijn ondergang. Het pleziert mij om al die herinneringen aan deze afschuwelijke man uit te wissen en de priesteres droeg mij dit op.” (IV 474-77).
Bij Virgilius doorboort zij zich tenslotte met een lans. De eerste botsing tussen Rome en Carthago in de vorm van de personnages Aeneas en Dido komt bij Timaios niet voor, maar wel bij Virgilius. Dat geldt ook voor de stichtingsdata beider steden.
 
Trogus Pompeius (t.t.v.Augustus).
Hij schrijft een Historiae Philippicae, maar hier is vrijwel alles van verloren gegaan. Justinus echter schrijft sommige stukken over.
 
Toen Elissa in de golf van Afrika was aangekomen zocht zij de vriendschap van de inwoners op die plaats en die verheugden zich bij de aankomst van de vreemdelingen en over de commerciële uitwisseling, die mogelijk werd gemaakt. Vervolgens werd op een natuurlijke plaats , die door een koeiehuid kan worden omgeven rust gehouden door de metgezellen, die vermoeid waren door de lange reis. Tot het moment waarop zij opdracht gaf de huid in zeer smalle reepjes te snijden en op die manier werd meer ruimte verkregen dan zij had gevraagd. Hier komt de naam Byrsa vandaan, die aan deze plaats werd gegeven. Daarna brachten de inwoners van de naburige plaatsen hun gasten talrijke handelswaar ter verkoop in de hoop op winst en zij stroomden toe en vestigden hun huizen op deze plek. De overvloed aan mensen vormde een soort nederzetting. Vertegenwoordigers van Utica brachten eveneens geschenken aan degenen, die zij als hun landgenoten beschouwden en zij raadden hen aan een stad te stichten, waar het lot hen had neergezet. De Afrikanen waren ook verlangend om de nieuwkomers te behouden. Dat is waarom met ieders toestemming Carthago werd gesticht door middel van een huurprijs voor de grond, die door de stad in beslag werd genomen. Bij de eerste werkzaamheden vond men de kop van een koe wat een zeker gunstig voorteken voor een stad is, maar ook blootgesteld aan zorgen en eeuwige dienstbaarheid; hierom verplaatste men de stad naar een andere plek. Op deze plek werd het hoofd van een paard gevonden, een teken van strijdbaarheid en kracht en dat gaf de stad een stempel van een gunstig voorteken. Vervolgens, aangetrokken door de reputatie van de stad kwamen er steeds meer mensen, zodat de stad spoedig een grootsheid verwierf.”  (Justinus XVIII 5,8-17).
Bij Trogus wordt de stad in drie fases gesticht. Hij noemt Dido slechts eenmaal in deze passage.
 
“Toen nu de zaken goed gingen en de Carthagers aanzienlijke rijkdommen bezaten, kwam Hiarbas, de koning der Muxitanen naar 10 van de belangrijkste Punische hoogwaardigheidsbekleders en vroeg om Elissa te mogen huwen onder bedreiging van een oorlog. De gezanten durfden dat niet aan de koningin te rapporteren en kwamen aan met een Punische list door te zeggen, dat de koning om iemand vroeg, die aan hem en de Afrikanen meer beschaafde gewoonten wilde leren; maar hoe iemand te vinden, die zijn landgenoten wilde verlaten om naar de barbaren te gaan, die als beesten leefden? Toen nu de koningin hen dat vroeg weigerden zij een ruwer leven te gaan leiden en afscheid te gaan nemen van het vaderland, waar zij hun eigen leven hadden, zelfs als de omstandigheden dat vereisten. Zij onthulden de vraag van de koning met te zeggen, dat wat zij anderen aanbeveelde, dat zij dat zelf moest doen, als zij nuttig voor de stad wilde zijn. Verrast door deze list riep zij lange tijd de naam van haar echtgenoot Acerbas aan, terwijl zij tranen met tuiten huilde onder het uiten van gejaagde klachten en zij eindigde ermee door te antwoorden, dat zij zou gaan waar het lot haar riep en dat van de stad. Nadat ze een uitstel van drie maanden had verkregen, liet zij een brandstapel aan de rand van de stad maken en om de zielen van haar echtgenoot gerust te stellen werd er een offer gegeven voor de bruiloft, waarbij zij talrijke slechtoffers offerde en uitgerust met een zwaard besteeg zij de brandstapel. Terugkijkend naar de mensen zei zij, dat zij naar haar echtgenoot ging, zoals men het gevraagd had en met het zwaard maakte zij een eind aan haar leven. Men vereerde haar als een godin, want Carthago werd niet overwonnen. Deze stad werd 72 jaar voor Rome gesticht.” (Justinus XVIII 6, 1-9).
Trogus volgt in grote lijnen Timaios. Virgilius geeft er een Romeinse draai aan (Aeneas).
 
Appianus (165 na Chr).
Hij schrijft is zijn Romeinse historie:
Afgeweerd door de Libyërs vroegen zij een stuk grond om er zich te vestigen ter grootte van de huid van een stier. Voor de anderen was het een hilarisch gebeuren over de gematigdheid van de Feniciërs en zij waren beschaamd om zoiets kleins af te wijzen. Bovendien wisten zij niet hoe een stad in zo’n kleine ruimte geplaatst kon worden en om deze list te doorgronden, beloofden ze het te geven en legden een eed af. De anderen gingen de huid snijden tot een enkele erg smalle riem en omgaven zo de plaats, waar zich nu de acropool van Carthago bevindt. Het is hierom, dat men het Byrsa noemt.” (VIII, 1 [1]).
Carthagers en Romeinen worden samen aangehaald als bron. Wie was/waren die Carthager(s).
 
 
 
 

 
Persoonsnamen.
-------------------
 
>>>>>>Pygmalion of Phygmalion of Pumayyaton?
 
In Carthago komen we een medaillon tegen vanuit het einde van de 8e eeuw v.C. Het luidt:
“Aan Astarte (‘štrt), aan Pygmalion (pgmlyn), Yadamilk (yd‘mlk, zoon van Pady (pdy).”
Neanthes van Cyzikus  (200 v.C) heeft het over een koning van Cyprus van Fenicische oorsprong (Porphyrius, De Abstinentia IV,15). Hij zou de grootvader van Adonis zijn.
Diodorus beschrijft de lotgevallen van de laatste koning van Kition, welke in inscripties  Pumayyaton (Pmy(y)tn) wordt genoemd.
Flavius Josephus (en anderen) heeft het over de hier genoemde koning van Tyrus als Pygmalion.
De naam Pgmlyn kan overigens iets heel anders betekenen dan Pmy(y)tn, bijvoorbeeld:
Pmy + ‘lywn = Pmy, de zeer hoge
Pmy + ‘lyn = ‘lyn kan Ugaritisch zijn: ‘lyn-b‘l.
 
>>>>>>Acerbas of Sicheus?
 
Servius (2e helft 4e eeuw v.C) zegt in een commentaar op Virgilius (I,34,3) onder andere het volgende:
“Zij had als echtgenoot Sycheus: iedere keer als de dichter namen met een ruwe medeklinker-uitspraak tegenkomt, of namen, die moeilijk te plaatsen zijn in een vers, dan verandert hij het, of hij schrapt wat. Sicheus werd Sicarbas genoemd, Belus, de vader van Dido, werd Mett(h)es genoemd.”
In feite gaat het om de namen Sic(h)arbas en Mattan. En met Sic(h)erbas zitten we al aardig dicht bij Acerbas.
 
>>>>>>>Dido = Elissa en Anna?
 
Varro (1e eeuw v.C).
“Varro zegt, dat het niet Dido was, maar Anna, die zich in de brandstapel gooide, gedreven door de liefde voor Aeneas.”
“Men moet goed weten, dat Varro zegt, dat Aeneas door Anna werd liefgehad.”
 
Ateius Philologus (29 v.C).
In een werk Charisius wordt geschreven:
“Didun: Ateius Philologus heeft een werk uitgegeven met de titel: ‘Hield Aeneas van Dido (Didun)’. “
 
Cn.Naevius (na 241 v.C).
In de Bellum Punicum noemt Naevius een zuster van Dido = Anna. Het is een fragment uit de Aeneas (IV,9) bij Servius aan Virgilius. Als Anna werkelijk bestaan heeft, dan moet ze waarschijnlijk jonger zijn geweest, want Elissa is de stichtster en wellicht regentesse.
 
Wie is Elissa? Volgens Dictionnaire/Lipinski.
’ l y š h : in het hebreeuws komt het voor in het Oude Testament, als de zoon van Yavan (Ionia) [gen.10,4 + kronieken 1,7]. Dit moet niet verward worden met ’ l s y h = Alashiya = Cyprus. In Ezechiel wordt gerept over de eilanden van Elisha = plek waar het purper vandaan komt. Ligt er een relatie naar ’Ulišeh = Ulysses = Odysseus.
Over het algemeen wordt Elissa toch als een legendarisch figuur gezien doorspekt met mythe van Azoros / Karchedoon. Maar wat, als Timaios en Flavius Josephus wel degelijk de Tyrische archieven goed hebben weergegeven? Ook komt de naam in Carthago voor als ‘ l s t (Benz blz 172, 379).
 
Timaios                       Elissa              Deidô
Strabo                                                Dido
Paterculus                   Elissa              Dido
Silius Italicus              Elissa              Dido
Naevius                                              Dido               Anna
Ennius                                                Dido
Cato                            Elissa
Varro                                                  Dido               Anna
Ateius Philologus                               Dido
Virgilius                                             Dido
Trogus                        Elissa
Appianus                                            Dido
Solinus                        Elissa
Eusebius                                             Dido
Servius                                               Dido
Flavius Josephus         Elissa
 
>>>>>>Iarbas bij Virgilius, Hiarbas bij Trogus/Justinus als de koning van Libyërs in deze streek.