Q A R T
H A D A SJ T
==================
De oorsprong van Carthago ligt in het oosten.
------------------------------------------------------
Ergens tussen 832 en 821 v.C sterft de koning Mattan I te
Tyrus. Volgens Flavius Josephus (Tegen Appion I, 18, 124) leefde hij maar 32 jaar
en regeerde 9 jaar. Over zijn exacte regeerperiode bestaat verschil van mening.
Bijvoorbeeld:
v.C
-
Dictionnaire de la civilisation Phéniciens et Punique c.840-832
- Les
relations entre les cites de la côte Phénicienne
et les royaumes d’Israel et du Juda c.830-821
- History of Tyre / H.J.Katzenstein c.829-821
- Geschichte des Altertums / E.Meyer c. 849-821
- The
Phoenicians / D.Harden
c.853-821
Ik meen, dat de meest waarschijnlijke regeerperiode 836-827
v.C is, waarover ik in mijn boek “De regeerders van Tyrus” al uitvoerig
geschreven heb.
Deze Mattan I laat twee kinderen na. Volgens Flavius Josephus (Tegen Appion I, 18, 125) laat Matténos een
opvolger Phygmalion na, die 56 jaar leefde en 47 jaar regeerde. In het 7e
jaar van zijn regering vluchtte zijn zuster en stichtte in Libyë de stad
Carthago. Volgens Flavius Josephus is Phygmalion dus 9 jaar, als hij begint te
“regeren”. Volgens Justinus was
Pumayyaton (zijn echte naam!) 11 jaar bij het begin van zijn “regering” en
moest hij volgens de wil van Mattan I samen regeren met zijn zuster Elissa. Het
zou echter voor Pumayyaton hebben gekozen en de adel wijkt dan na 7 jaar met
Elissa uit naar een nieuwe bestemming.
Dit is in kort de voorgeschiedenis van Carthago in het
oosten.
Niet alleen Flavius
Josephus (voor 95 na Chr) noemt deze periode. Talloze andere klassieke
schrijvers leveren hun bijdrage. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden
naar de mate waarin zij dat doen:
- algemene informatie, zoals door welk volk werd Carthago
gesticht;
- wanneer werd Carthago gesticht;
- het verhaal van de gebeurtenissen in het oosten;
- het verhaal van de stichting in het westen.
Algemene informatie.
--------------------------
Q.Ennius.
Deze dichter uit het begin van de 2e eeuw v.C zet
de stamboom in twee zinnen neer.
“De Puniërs,
afstammelingen van Dido.” (Priscianus VI, 21D, 10H).
“De Puniërs,
afstammelingen van Tyrus (Sarra).” (Probus aan Virgilius, Georg.II 506).
Arrianus.
In het midden van de 2e eeuw v.C schrijft hij in
zijn Anabasis:
“...... ‘Theores’(?)
van Carthago kwamen van de hoofdstad om Herakles te eren volgens een oud gebruik.”
(II,24,5).
Carthago wordt kennelijk als de hoofdstad gezien en voor
Herakles moet je Melqart lezen.
Cato de oudere.
Voordat de man in 149 v.C sterft vermeldt hij nog wel even
de stichting van Carthago.
Dat was wel het minste wat hij mocht doen.
“Deze stad, zoals Cato
bevestigt in een rede in de senaat, werd gebouwd door Elissa, een vrouw van
Fenicische afkomst, en wel in de tijd, dat koning Iapan de macht uitoefende in
Libyë. Zij noemde het Carthada, dat in de taal van de Feniciërs, nieuwe stad
betekent.” (Solinus XXVII,10).
Strabo.
In het eerste kwart van de eerste eeuw na Chr meldt Strabo
het volgende:
“Dit is een stichting
van Dido, die een groep uit Tyrus meenam. De kolonisatie was zo succesvol voor
de Feniciërs evenals voor de kolonisaties tot in Iberië en onder andere ook het
deel van Iberië, dat buiten de zuilen ligt, zodat de Feniciërs nu het beste
deel van het Europese vasteland bezitten alsmede de naburige eilanden, die zij
in bezit hebben genomen en alles in Libyë, waar een ander dan nomadisch leven
mogelijk was. Met deze macht werd hun stad een rivaal voor Rome, waarmee zij
drie grote oorlogen tegen de Romeinen hebben uitgevochten”
(XVII,3,15, C832).
De bijzin: “waar een ander dan nomadisch leven mogelijk was”
is interressant. Dat slaat zeer waarschijnlijk op de kuststreek met de vele
havens erlangs. De naam Dido komt voor, maar dit is slechts een bijnaam. Haar
werkelijke naam is anders.
Pomponius Mela.
In 43/44 na Chr schrijft hij in De Chorographia libri tres:
“Utica en Carthago,
allebei vermaard, alle twee gesticht door de Feniciërs.”
(I,7 [34]).
Plinius de oudere.
In 77 na Chr schrijft hij in zijn Naturalis Historiae:
“(Tyrus) ..... vroeger
vermaard door zijn afkomst, zij die heeft voortgebracht: Leptis, Utica en die
beroemde rivaal Carthago, hunkerend naar veroveringen en die ook Gadès heeft
gesticht achter de bewoonde wereld.” (V 19, [76]).
Dit is niet helemaal waar, want Gadès werd eerder gesticht
dan Carthago en wel door Feniciërs uit Tyrus.
Quintus Curtius.
Bij het einde van het Fenicische Tyrus schrijft hij het
volgende:
“Gezanten van Carthago
bezochten toen Tyrus om het jaarlijkse offer te vieren volgens de nationale
gewoonte: Carthago was in feite gesticht door Tyrus, die haar altijd vereerd
had als een moeder.” (IV,2,10).
Een tiende van de jaarlijkse winst van Carthago gaat naar
Tyrus. Nog in 332 v.C was dit gebruik dus kennelijk nog aanwezig.
“Heel wat buit van
door hen ingenomen steden dienden om Tyrus te verfraaien en niet minder ook in
Carthago.” (IV, 3, 22).
Dit gaat over een door de Carthagers buitgemaakte Apollo te
Syracuse.
Dionysus de
Periegetes.
“Vervolgens: Carthago
bevat een lieflijke haven; Carthago is tegenwoordig Libysch, maar was vroeger
Fenicisch; Carthago werd afgebakend door de huid van een koe volgens de legende.”
(vs.195-197).
Dionysus vindt in het begin van de 2e eeuw na Chr
het verhaal over de huid zelf een legende.
Avienus.
Hij schrijft in de 2e helft van de 4e eeuw na Chr in
Descriptio orbis terrae:
“Vervolgens liggen
daar de beroemde muren van Carthago, de Tyrische, vroeger een Fenicische stad,
nu gevoed door het Libysche land, zacht en rustig in vrede, maar driftig in de
wrede oorlog.” (v.287-90).
Stephanus van
Byzantium.
Hij schrijft in de 6e eeuw na Chr:
“Carthago: voorname
stad in Libyë, erg opmerkelijke stad ..... Genoemd naar de Feniciër (of zoon
van Phoinix) Karchedon. Zij noemde zich ook wel Kadmeia, Oinoussa en Kakkabé.
Deze (laatste) naam betekent paardenhoofd volgens een inheemse uitdrukking.”
Kadmeia verwijst naar Kadmos. Oinoussa kan krachtige wijn
betekenen. Kakkabé is helemaal een puzzel. In het akkadisch komt het woord
qaqqadu voor, hetgeen hoofd betekent. De letters kkb en kmb komen ook voor op
munten uit Sidon. Natuurlijk kan het ook gewoon een inheems woord zijn.
Door alle eeuwen heen zijn de Feniciërs en met name de
Tyriërs de stichters van de stad.
Carthago worden nogal wat verschillende namen toegedicht,
maar toch het meest Carthago, dat eigenlijk een vervorming van Qart-ḥadašt
(=nieuwe stad) is.
Wanneer vond de stichting plaats?
----------------------------------------
De best gedocumenteerde traditionele stichtingsdatum van
Carthago is 814/3 v.C. Op het eerste gezicht zou dus, als we hier even vanuit
gaan, Pumayyaton in 821/20 hebben moeten gaan regeren, want Elissa zou in het 7e
jaar van zijn regering zijn uitgeweken om Carthago te gaan stichten. Er zijn
echter ook andere overleveringen, waarbij de stichtingsdatum van Carthago hoger
of lager gesteld kunnen worden en anderszijds dienen de omstandigheden tijdens
de opvolging van Mattan I nader beschouwd worden, want die zijn bijzonder.
Bovendien dient ook de wijze van stichting van Carthago nader belicht te
worden. Ging dat in één keer, of gebeurde dat in meerdere etappes?
Andere overleveringen reppen over bijvoorbeeld in nog
dezelfde eeuw: 884/3, 850, 847/6 v.C als stichtingsdatum. Het is niet persé
uitgesloten, dat Carthago eerder dan de jaren 814/3 v.C werd gesticht. Er zijn
echter ook veel oudere of jongere stichtingsdata bespeurbaar bij de klassieke
auteurs.
We gaan o.a. te rade bij:
Philistos van Syracuse (1e helft 4e
eeuw v.C).
Hiëronymos (midden 4e eeuw v.C)
Eudoxus van Knidië (midden 4e eeuw v.C)
Timaios van Tauremenion (eind 4e / begin 3e
eeuw v.C)
Titus
Livius (59 v.C – 17 na Chr)
Velleius
Paterculus (c.30 na Chr)
Appion
(t.t.v.Tiberius/Claudius)
Flavius Josephus (+95 na Chr)
Philistos van
Syracuse (1e helft 4e eeuw v.C).
“Philistos zegt, dat
Carthago gesticht werd in deze tijd door de Tyriërs Azoros en Karchedon.” (FGH II B nr.556 F47).
Philistos praat over de tijd na de val van Troje. Van Elissa
is geen spoor te bekennen.
De stichters lijken afgeleid te zijn van de plaatsnamen Sor
(Tyrus) en Carthago zelf. Het waarheidsgehalte lijkt daarmee niet erg hoog te
zijn.
Pseudo-Aristoteles (384-322 v.C).
In wonderlijke berichten, die toegeschreven worden aan
Aristoteles, wordt in par.134 het volgende gezegd:
“In het deel van
Libyë, dat Utica wordt genoemd ..... dat werd gesticht, zegt men, door de
Feniciërs en wel 287 jaar voor Carthago zelf, zoals is opgeschreven in de
Fenicische geschiedenissen ....” (FGH III C,2
nr 794 F9).
Hiëronymos (midden 4e
eeuw v.C)
Hij citeert Philistos in kroniek (blz 58b Helm) en plaatst de stichting door de Tyriërs Azoros
(Zorus) en Karchedon (Carthago) in het jaar 802 van Abraham (=1215 v.C). Zorus
is via Ṣor een afgeleide van Tyrus. Een andere verklaring kan zijn, dat het
slaat op het werkwoord ‘ZR = helpen. Nog weer andere verwijzingen slaan op
‘azor = Azuri (koning van Ashdod t.t.v.Sargon II) of Badezoros (Flav.Jos.C.A.I,18).
Zo’n oude datering is niet erg waarschijnlijk gezien de
archeologische resultaten, die niet verder teruggaan dan tot in de 8e
eeuw v.C.
Eudoxus van Knidië (midden 4e
eeuw v.C)
“Kort na de oorlog van
Troje, zegt Eudoxus van Knidië, hebben de Tyriërs Carthago gekoloniseerd onder
de leiding van Azaros en Karchedon van wie de stad zijn naam ontving.” (Euripides, Trojanen 221).
Eudoxus heeft duidelijk iets gelezen van Philistos of
Hiëronymus. Hier komen we niet echt verder mee.
Timaios van
Tauremenion (eind 4e / begin 3e eeuw v.C)
“En zo komen we
eindelijk bij de in gebruikname of stichting van Rome, of welke term je
hiervoor wilt gebruiken. Timaios van Sicilië zegt gebruikmakend van een mij
onbekende berekening, dat het in dezelfde tijd gesticht werd als Carthago in
het 38e jaar voor de eerste olympiade.”
(FGH III B nr.566 F60)
Dionysos van Halicarnassus (Antiq-Rom.I 74,1).
Dit komt neer op 814/3 of 813/2 v.C (excl. of incl.). Rome
en Carthago krijgen dus eenzelfde datering. Wie is van wie afgeleid? Is het
berekend via een aantal generaties of was er een authentieke bron. Het sluit
perfect aan bij wat Flavius Josephus te berde brengt. We zijn dicht bij de
waarheid gekomen.
Cicero (106-43 v.C).
“En Carthago zou niet
zoveel rijkdom hebben gehad gedurende 600 jaren zonder regels noch discipline.”
(Republica I frag.2).
Als Cicero van de verwoesting van Carthago wist in 146 v.C,
dan plaatst hij hier het begin in 747/6 v.C. In andere passages van Cicero
komen echter de afgeleide stichtingsjaren 815/4 en 751/0 v.C naar voren en wel
van Rome, of Carthago of beiden!
Jammer, dat hij niet eenduidig is, maar hij komt
vermoedelijk ook wel dicht bij de waarheid.
Titus Livius (59 v.C – 17
na Chr).
Boek XVI ging verloren en hierin beschreef hij nou net het
begin van Carthago. Er zijn echter andere bronnen, die Livius aanhalen. Hij
kende echter wel de betekenis van de naam Carthago:
“Carthago komt van
Cartha, zoals men kan lezen in de geschiedenis van de Puniërs en bij Livius.”
(Aeneas I,343).
“Carthago is ‘nieuwe
stad’ in de taal van de Puniërs, zoals Titus Livius beweert.” (Aeneas I,366).
“---- Scipio, die
inmiddels de stad verwoestte in het 700e jaar nadat zij was gesticht.”
(Periocha Libri I).
Dat wordt dus 846 v.C als stichtingsdatum. Waarschijnlijk is
berekening via generaties gedaan (20 x 35 jaar). Deze berekening is te
kunstmatig en te vaag.
Velleius Paterculus (19 v.C – 31
na Chr).
“Tijdens deze periode
(overgang Assyriërs/Meden) 65 jaar voordat de stad Rome werd gesticht, werd
Carthago gesticht door de Tyrische Elissa, die sommigen Dido noemen.” (I.6,4).
Paterculus zet de overgang van de Assyriërs naar de Meden op
c.741 v.C. Dat betekent, dat hij hier de stichting van Carthago op 817/6 v.C
(741+65) stelt.
“Carthago werd
verwoest na 666 jaar bestaan te hebben, dat is 177 jaar voor nu, onder het
consulaat van Cn.Cornelius Lentulus en L.Mummius.” (I,12,5).
Dit consulaat viel in 29/30 na Chr + 177 jaar = 148/7 v.C
(verwoesting Carthago) + 666 jaar = 814/3 v.C (stichting Carthago).
“Tijdens de 6e
olympiade, 22 jaar na de 1e spelen, heeft Romulus, zoon van Mars,
het onrecht jegens zijn grootvader gewroken en tijdens de Parilia op het
Palatijn de stad Rome gesticht. Vanaf toen gerekend to nu, het jaar, dat U
consuls bent, is het 781 jaar; de gebeurtenis ligt 437 jaar na de inname van
Troje.”
781 – 30 = 751 v.C. 1190 - 437 = 753 v.C. 753 + 65 = 818 v.C
Via diverse invalshoeken komt hij dicht of exact op de
berekeningen van Timaios en Flavius Josephus!
Apion (1e
helft 1e eeuw na Chr).
Deze schrijver heeft het over de exodus van de Joden.
“Maar Apion, de meest
zekere onder ons, heeft het vertrek uit Egypte precies vastgesteld op 7e
olympiade en het eerste jaar van deze olympiade, het jaar, waarin de Feniciërs
Carthago hebben gesticht.” (FGH III C nr.616
F4, Flav.Jos.C.A.II,2[17]).
Deze olympiade valt in zijn eerste jaar op: 752/1 v.C.
Trogus Pompeius (t.t.v.Augustus).
Hij brengt via Justinus niet precies de stichtingsdatum Carthago
in beeld, maar hij geeft wel het exacte verschil tussen stichtingsdata van Rome
en Carthago naar voren, namelijk 72 jaar.
Via een omweg komen we toch het begin van Carthago te weten,
want elders blijkt hij uit te gaan van een generatieberekening van de koningen
van Rome (33 1/3 jaar x 7 koningen = 233 jaar). Die 233 jaar overbruggen de
koningsperiode in Rome (742/1 – 509/8 v.C). Tel daar de genoemde 72 jaar bij op
en je komt weer bij 814/3 v.C als stichtingsdatum van Carthago.
Flavius Josephus (+ 95 na Chr).
In Tegen Apion schrijft hij:
“Bij de Tyriërs worden
sinds erg veel jaren openbare kronieken bijgehouden, opgesteld en bewaard door
de staat met grote zorg voor de zaken, die het waard zijn om herinnerd te
worden, zaken, die bij hen gebeuren en hun betrekkingen met de buitenwereld.
Hierin wordt gezegd, dat de tempel van Jeruzalem gebouwd werd door koning
Salomon en dat ongeveer 143 jaar en 8 maanden voor de stichting van Carthago.”
Gecombineerd met de koningslijst van Eiromos tot Phygmalion
kom je in ieder geval uit bij 800 – 825 v. C als stichtingsdatum voor Carthago.
Appianus (65 na Chr).
In zijn Romeinse geschiedenis wordt de levensduur van de
stad driemaal in beeld gebracht.
“700 jaar na de
stichting namen de Romeinen Sicilië en Sardinië bij hen weg en na Sicilië na
een tweede oorlog Iberië.” (VIII, 1 [2]).
“..... de stad van de
Carthagers .... die floreerde gedurende 700 jaar ...” (VIII,8,[51]).
“En Scipio, de stad
ziende, die gedurende 700 jaar na haar stichting floreerde ....” (VIII,19 [132]).
Tot drie maal komt het getal 700 jaar. Dat is bij
benadering. Bij een exacte invulling zouden we bij 846 v.C komen als
stichtingsdatum.
Solinus (3e
eeuw na Chr).
Hij schrijft in Collectanea rerum memorabilium:
“Hadrumetum en
Carthago hebben als stichter het volk van Tyrus. Ik ga hier herinneren aan het
feit, dat er betrouwbare boeken zijn verschenen over Carthago: .... [citaat Cato];
weldra, toen de woorden vertaald werden in het Punisch, werd de vrouw Elissa
genoemd en de stad Carthago; zij werd na haar stichting na 737 jaren verwoest.”
(XXVII, 9-10).
We komen volgens deze gegevens uit bij het stichtingsjaar
883 v.C.
Hadden Elissa en Carthago dus dan hiervoor (iets) andere
namen?
Eusebius (4e
eeuw na Chr).
Zijn eigen kronieken zijn verloren gegaan, maar er is een
Latijnse vertaling van Hieronymus. Daaruit komen de volgende passages:
“In het 978e
jaar van Abraham werd Carthago gesticht door, zoals enigen willen, de Tyriër
Karchédon of eerder, volgens anderen, door zijn zuster Dido, 143 jaar na de val
Troje.”
(blz 69b Helm).
Dat wordt het jaar 1039 v.C. Dido is opeens de zuster van
Karchédon geworden!
“In het 1003e
jaar van Abraham: Carthago is volgens sommigen gesticht door Dido. Veel vroeger
volgens anderen, zoals we hebben gezien.”
Dat wordt het jaar 1014 v.C.
“In het 1166e
jaar van Abraham: Zekere personen denken, dat Carthago in deze tijd werd
gesticht. Veel eerder denken anderen.”
Dat wordt het jaar 851 v.C.
“In het 1867e
jaar van Abraham is Carthago door Scipio onderworpen aan de Romeinse dominantie
en dat na 668 jaar, of zoals anderen zeggen 748 jaar na zijn stichting.”
In het eerste geval zijn we weer terug bij Timaios.
Conclusie:
1215 Hiëronymus
1039 Eusebius
1014 Eusebius
894 Eusebius
883 Solinus
851 Eusebius
846 Livius
c.846 Appianus
817/6 Paterculus
814 Eusebius
814/3 Paterculus
800-825 Flavius
Josephus
814/3 Timaios
814/3 Trogus
752/1 Apion
747/6 Cicero
Alles bijeen geef ik dus duidelijk de voorkeur aan de
stichtingsdatum 814/3 v.C.
Het verhaal in het oosten.
------------------------------
Maar wat ging er aan vooraf aan de stichting van Carthago in
het oosten?
De opvolgingsomstandigheden in Tyrus na het verscheiden van
Mattan I zijn bijzonder, want deze koning sterft op vroege leeftijd (32 jaar).
Zijn kinderen zijn nog klein. In ieder geval is dat Pumayyaton, die op 9 of 11
jarige leeftijd zou zijn gaan regeren. Hoe oud eigenlijk Elissa was, weten we
niet. Nergens staat geschreven, dat zij even oud zouden zijn geweest. Het feit
echter, dat Mattan I bepaald zou hebben, dat ze samen moesten gaan regeren,
doet het vermoeden rijzen, dat Elissa ouder was. Het is bij de Feniciërs niet
gebruikelijk, dat een vrouw (samen) regeert en zeker niet als er een mannelijke
opvolger is. Nochtans komt het later ook voor bij Ešmoenazar II met zijn moeder
Amo‘Astart te Sidon.
Nu blijkt Elissa ook nog eens getrouwd te zijn met een oom
en priester van Melqart (Acerbas). De combinatie van deze gegevens (ouder en
getrouwd) geeft voeding aan de gedachte, dat Elissa een tijd lang regentesse is
geweest, waarbij wellicht de werkelijke macht bij Acerbas lag. Als Elissa
bijvoorbeeld van 827-821 v.C regentesse was over Pumayyaton, dan is het
verklaarbaar, waarom zij niet opgenomen is in de koningslijst van Flavius
Josephus. In dit scenario regeert dus Elissa van 827-821 v.C alleen en wel als
regentesse en wordt Pumayyaton pas in 821 v.C koning, maar dan samen met
Elissa. Bij het verscheiden van Mattan I zou dan Elissa bijvoorbeeld 15 jaar en
Pumayyaton slechts 1 jaar geweest zijn. In het 7e regeringsjaar van
het gezamelijk regeren door Elissa en Pumayyaton vlucht dan Elissa weg nadat
haar echtgenoot in 814 v.C door Pumayyaton (die dan c.17 jaar oud is), is
vermoord. Pumayyaton moet dan in dat jaar een eind gemaakt hebben aan het
regentesseschap van Elissa en het verkapte regentschap van Acerbas door middel
van een paleisrevolutie.
Een andere mogelijkheid is, dat Pumayyaton toch al in 827
v.C is gaan regeren en dat 7 jaar deed met zijn (waarschijnlijk oudere) zus. Na
de moord op haar echtgenoot (in 821 v.C?) vlucht Elissa dan weg en wel naar het
eiland Cyprus. Kition is daar de voor de hand liggende mogelijkheid. Het is
zeer wel mogelijk, dat zij daar dan weer 7 jaar of minder gebruikt heeft om de
grote expeditie voor te bereiden. Er bestaat een overlevering, dat Pumayyaton een
expeditie overwoog om Elissa terug te halen, maar daar uiteindelijk van af zag
(Justin.XVIII,5,6). Een expeditie naar
Carthago zelf is al nauwelijks overweegbaar, maar een naar Cyprus zou zeer wel
kunnen.
Heeft het verhaal van Elissa een historische betekenis of is
het een verzinsel van diverse klassieke auteurs, die elkaar ook nog eens
napraten? Heeft Elissa werkelijk wel bestaan?
Timaios van
Tauromenion (eind 4e/begin 3e eeuw v.C).
Geschiedwerk Historiai:
“Theiossô: Timaios
zegt, dat zij Elissa wordt genoemd in de taal van de Feniciërs en dat zij de
zuster is van Pygmalion, de koning van de Tyriërs, en dat zij Carthago heeft
gesticht in Libyë. Inderdaad, nadat haar echtgenoot was gedood door Pygmalion,
verzamelde zij haar bezittingen in schepen en vluchtte met enige medeburgers.
Na veel beproevingen te hebben doorstaan ontscheepte ze in Libyë en kreeg van
de Libyërs de inheemse naam Deidô vanwege de talrijke omzwervingen. Nadat ze de
voornoemde stad had gesticht en toen de koning der Libyërs haar wilde trouwen,
weigerde ze dat, maar toen ze tezelfdertijd onder druk gezet werd door haar
medeburgers en vrezend een soort ceremonie te moeten ondergaan bestemd om een
eed af te leggen, bouwde ze een brandstapel bij haar huis, stak hem aan en
gooide zich van haar verblijf in het vuur.” (FGH III B nr.566 F 82
tractatus de mulieribus VI).
Wat betekent Theiossô? Is het een andere naam voor
Elissa/Deidô?
In ieder geval is duidelijk, dat Elissa en Dido dezelfde
persoon zou kunnen zijn.
Timaios geniet in de oudheid grote vermaardheid. Hij krijgt
wel stevige kritiek van Polybius (boek 12), maar daarin vermeldt Polybius toch
wel het volgende: “Zelf heeft hij naar
zijn zeggen zoveel kosten gemaakt en zoveel moeite moeten doen om de kronieken
van Tyrus in handen te krijgen ......” Timaios schijnt dus in de Tyrische
archieven gebladerd te hebben, hetgeen zijn geloofwaardigheid ten goede kan
komen!
Virgilius (70-19 v.C).
Hij schrijft een roman gebaseerd op wat vorige schrijvers te
berde hebben gebracht, maar maakt er zodanige draai aan, dat de denkbeeldige
relatie met Rome erin verwerkt wordt.
“Je ziet hier het
Punisch koninkrijk, een staat van de Tyriërs en van Agenoor; maar je bent in
het land van de Libyërs, een onhandelbaar en oorlogszuchtig ras. De macht
berust bij Dido, die gered werd van Tyrus door van haar broer weg te vluchten.
Het onrecht, dat zij heeft ondergaan zal lang zijn om te vertellen en lang door
al zijn verwikkelingen: ik roer slechts de meest saillante zaken aan. Haar
echtgenoot Sycheus was de rijkste man van Fenicië en de ongelukkige hield erg
veel van hem. Haar vader had haar als maagd gegeven en zij had hem getrouwd
onder de auspiciën van een eerste huwelijk. Maar haar broer bezat het
koninkrijk Tyrus. Deze Pygmalion was de meest afschuwelijke van de booswichten.
Er ontstond een verschrikkelijke haat tussen de twee schoonbroers. Pygmalion,
verblind door de passie voor goud, overviel en doodde Sycheus in het geheim
voor het altaar. Dat was heiligschennis en gepleegd zonder medelijden voor de
liefde van zijn zuster. Het voorval bleef lang verborgen; en deze ongelukkige,
als gevolg van misleidingen, vergiste zich in een ijdele hoop in smart voor
haar geliefde. Maar zij zag in haar slaap het beeld van haar man, zo uit het
graf en het gezicht angstwekkend bleek: hij toonde haar het met bloed besmeurde
altaar en zijn borst doorboord door een lemmet en hij liet haar de mysterieuze
misdaad van het huis ontdekken. Daarna raadde hij haar aan een snelle vlucht
voor te bereiden en om haar op weg te helpen onthulde hij haar oude schatten,
die in de aarde begraven waren, een onbekende hoeveelheid zilver en goud.
Ontsteld bereidde Dido haar vlucht voor en zocht metgezellen. Al degenen voor
wie de tiran een felle haat of een grote vrees koesterde, voegden zich bij haar.
Zij maakte zich meester van schepen, die toevallig zeilklaar waren en laden er
het goud in. De rijkdommen, die Pymalion had begeerd, worden toevertrouwd aan
de zee.” (I, 338-68).
Het verhaal van Virgilius komt voor een belangrijk deel
overeen met dat van Timaios vele eeuwen eerder. Alleen doet hij dat veel
uitgebreider.
De vader van Dido blijkt Belus te zijn:
“Wat mij betreft, ik
herinner mij, dat Teucer naar Sidon kwam, verjaagd uit zijn land en zoekend met
de hulp van Belus naar een nieuw koninkrijk. Belus, mijn vader, had het rijke
Cyprus verwoest en legde het als overwinnaar zijn wil op. Het is sinds die
tijd, dat ik van de val van Troje hoorde en jouw naam en die van de koningen
der Grieken ken.” (I 619-24).
Belus is terug te voeren op Baal (=heer, meester). Wellicht
was dit Agenoor. Het is allemaal legendarisch. Tyriërs worden ook Sidoniërs
genoemd. Het loopt allemaal door elkaar heen.
Trogus Pompeius (t.t.v.Augustus).
Hij schrijft een Historiae Philippicae, maar hier is vrijwel
alles van verloren gegaan. Justinus echter schrijft sommige stukken over.
“Voor de moord op hun
meesters (door Alexander), toen zij
nog rijkdom en inwoners in overvloed hadden, hebben zij (Tyriërs) Utica gesticht door de jeugd naar Afrika
te zenden. Vervolgens stierf de koning ....... en die liet als erfgenamen zijn
zoon Pygmalion en zijn dochter Elissa, een jonge vrouw van zeldzame schoonheid
achter. Maar het volk droeg het koningschap over aan Pygmalion, die nog een
kind was. Wat betreft Elissa, zij trouwde met haar oom Acerbas, priester van
Hercules, die de eerste plaats innam na de koning. Hij beschikte over grote
rijkdommen, maar hield die verborgen; uit vrees voor de koning, had hij zijn
goud niet toevertrouwd aan het dak, maar aan de grond. De mensen waren hier onkundig
van, maar er waren geruchten in omloop. Aangestoken door dit gerucht en het
recht van mensen vergetend, doodde Pygmalion zonder enig medelijden dege, die
tegelijk zijn oom en schoonbroer was. Elissa, die al lang een grote hekel had
aan haar broer door zijn misdaad, verborg haar haat en hield haar gezicht in de
plooi, terwijl zij in het geheim voorbereidingen trof om te vluchten door zich
te verbinden met enkele van de voornaamste burgers, van wie zij dacht, dat zij
dezelfde haat koesterden voor de koning en dezelfde wens hadden om te
vluchtten. Daarna richtte zij zich tot haar broer met een list. Zij vertelde,
dat zij zich bij hem wilde vestigen, omdat het huis van haar echtgenoot haar
niet langer zou herinneren aan degene, die ze zou willen vergeten, het
smartelijke beeld van haar rouw noch enig ander bitter denkbeeld, dat haar
onder ogen zou komen. Het was niet zonder plezier, dat Pygmalion de woorden van
zijn zuster hoorde, want hij dacht, dat met haar ook het goud van Acerbas mee
zou komen in zijn richting. Maar toen de avond viel, liet Elissa de bedienden,
die de koning had gezonden voor de verhuizing met de rijkdommen aan boord van
schepen gaan en eenmaal op volle zee dwong zij de bedienden om zakken zand in
het water te gooien, die zodanig waren dichtgeknoopt, dat het leek, dat die
zilver bevatten. Daarna riep zij huilend Acerbas aan met een wanhopige stem.
Zij smeekte hem om weer zijn rijkdommen aan te nemen, die hij had moeten
afstaan en als begrafenis-offers de rijkdommen aan te nemen, die zijn dood
hadden veroorzaakt. Daarna richtte zij zich tot de bedienden zelf. Zij zei, dat
zijzelf al lang voor de dood had gekozen, maar dat hen verschrikkelijke
martelingen en wrede kwellingen bedreigden, zij die de schatten van Acerbas aan
de begerigheid van de tiran hadden onttrekken,waarvan de hoop daarop de koning
tot moordenaar hadden gemaakt. Zij werden allen vervuld van vrees en zij werden
tot metgezellen op de vlucht. Groepen senatoren werden die nacht gevormd en zij
voegden zich bij hen en vervolgens, na een offer te hebben gebracht aan
Hercules van wie Acerbas de priester was, vertrokken zij om in het buitenland
een woonplaats te zoeken.” (Justinus XVIII 4,2-15).
Dit relaas gelijkt meer op het verhaal van Timaios, alleen
veel uitgebreider. Virgilius is meer afwijkend. De onbekende koning, althans
geïnterpreteerd, is Mutto, Multo, maar in feite Mattan. Hier slaan volk en
senaat op de vlucht. Bij de andere verslagen alleen de senaat.
“De eerste etappe werd
het eiland Cyprus, waar de priester van Jupiter aanbood op beval van de goden
om met zijn vrouw en kinderen Elissa als compagnon te vergezellen op voorwaarde
ten alle tijde voor hem en zijn afstammelingen de waardigheid van het
priesterschap te verkrijgen. Deze voorwaarde werd als een duidelijk voorteken
ontvangen. De Cyprioten hadden als gebruik om bepaalde dagen jonge meisjes voor
hun huwelijk langs de zee het zilver van hun bruidschat gingen zoeken door hun
maagdelijkheid te offeren aan Venus. Elissa gaf bevel om ongeveer 80 jonge
meisjes te werven en aan boord van de schepen te nemen, zodat de jonge mensen
een echtgenoot konden verwerven en dat de stad welvarend zou worden. Toen dit
alles zich afspeelde en de vlucht van Elissa bekend werd, bereidde Pygmalion
zich voor om de vluchteling te achtervolgen en een goddeloze oorlog, maar
overtuigd, niet zonder moeite, door de smeekbedes van zijn moeder (!) en de
bedreigingen van de goden, bedaarde hij weer. De bezielde waarzeggers zongen
hem toe, dat hij er niet ongestraft van af zou komen, als hij zich zou verzetten
tegen de stichting van de stad, die de meest gunstige omstandigheden van de
wereld had en op deze manier hadden de vluchtingen de tijd om op adem te
komen.” (Justinus XVIII 5, 1-7).
Virgilius zwijgt over deze periode, maar Timaios zegt, dat
het lang duurde, voordat Elissa naar Afrika naar Afrika vertrok. Er ligt een
parallel met de roof van de Sabijnse maagden.
Silius Italicus (80 na Chr).
Deze dichter maakt een prachtig gedicht, maar hij is geen
geschiedkundige en romantiseert er dus lustig op los.
“Afstammeling van het
oude ras van de Tyriërs van Barca, rekende hij (=Hamilcar) tot zijn voorouders
zelfs Belus. Want, volgens Dido, beroofd van haar echtgenoot, ontvluchtte het
onderworpen Tyrus, want de jonge afstammelinge van Belus was ontsnapt aan de
goddeloze wapens van de sinistere tiran.” (I, 72-75).
Maar, neemt Silius Italicus toch af en toe een historisch
feit mee?
Appianus (165 na Chr).
Hij schrijft is zijn Romeinse historie:
“De Feniciërs
stichtten Carthago in Libyë 50 jaren voor de val van Troje. Zijn stichters
waren Zôros en Karchédon. Of, waar Romeinen en Carthagers zelf zo denken, door
Dido, een Tyrische, waarvan Pygmalion, tiran van Tyrus, de echtgenoot van had
gedood en deze toedracht verborgen hield. Maar zij zag de moord in een droom en
met veel rijkdommen en mensen, die de tirannie van Pygmalion wilden
ontvluchten, ging zij op reis naar de engte van Libyë, waar zich nu Carthago
bevindt.
Het verhaal in het westen.
-------------------------------
Timaios van
Tauromenion (eind 4e/begin 3e eeuw v.C).
“Theiossô: Timaios
zegt, dat zij Elissa wordt genoemd in de taal van de Feniciërs en dat zij de
zuster is van Pygmalion, de koning van de Tyriërs, en dat zij Carthago heeft
gesticht in Libyë. Inderdaad, nadat haar echtgenoot was gedood door Pygmalion,
verzamelde zij haar bezittingen in schepen en vluchtte met enige medeburgers.
Na veel beproevingen te hebben doorstaan ontscheepte ze in Libyë en kreeg van
de Libyërs de inheemse naam Deidô vanwege de talrijke omzwervingen. Nadat ze de
voornoemde stad had gesticht en toen de koning der Libyërs haar wilde trouwen,
weigerde ze dat, maar toen ze tezelfdertijd onder druk gezet werd door haar
medeburgers en vrezend een soort ceremonie te moeten ondergaan bestemd om een
eed af te leggen, bouwde ze een brandstapel bij haar huis, stak hem aan en
gooide zich van haar verblijf in het vuur.” (FGH III B nr.566 F 82
tractatus de mulieribus VI).
Silius Italicus (80 na Chr).
Deze dichter maakt een prachtig gedicht, maar hij is geen
geschiedkundige en romantiseert er dus lustig op los.
“In het centrum van de stad bevond zich een
tempel, die gewijd was aan de schimmen van de doden van de stichtster Elissa en
vereerd door de Tyriërs als een nationale verering. Er rondom heen beschermden
de pijnbomen met hun omhullende schaduw en verborgen het voor het licht van de
hemel. Het was op deze plek, vertelt men, dat de koningin zich bevrijd had van
de diensten van het leven. Hij richtte er beelden op van hard mar+mer, de
voorouder Belus en daarna direct van zijn afstammelingen; waaronder zich bevond
Agenoor, de glorie van het ras en die zijn naam heeft gegeven aan een ver land,
Phoenix. En zijzelf tenslotte is gezeten verenigd voor altijd met Sycheus; aan
zijn voeten ligt het Frygisch zwaard; hij heeft er op volgorde 100 altaren
opgericht, die gewijd zijn aan de de goden van de hemel en aan de krachtige
Erebus. Dan, geroepen door een magisch lied, vliegen de schimmen van de doden
door de lege ruimte en het gezicht van marmer van Elissa begint te zweten.”
(I, 81-92, 97-98).
Virgilius (70-19 v.C).
Hij schrijft een roman Aeneas gebaseerd op wat vorige
schrijvers te berde hebben gebracht, maar maakt er zodanige draai aan, dat de
denkbeeldige relatie met Rome erin verwerkt wordt.
“Je ziet hier het
Punisch koninkrijk, een staat van de Tyriërs en van Agenoor; maar je bent in
het land van de Libyërs, een onhandelbaar en oorlogszuchtig ras. De macht
berust bij Dido, die gered werd van Tyrus door van haar broer weg te vluchten. .....................................
Onder de leiding van
een vrouw kwamen zij aan in dit land, waar je tegenwoordig enorme muren en de
burcht van een nieuwe stad ziet oprijzen, Carthago. Ze kochten alle grond, die
men met de huid van een stier kon afpalen, vandaar de naam Byrsa.” (I,
338-68).
Virgilius gaat verder:
“In het centrum van de
stad was een schaduwrijk bos, waar de Carthagers, heen en weer geslingerd door
de golven en de storm, sinds hun aankomst het voorteken opgroeven, dat hen was
aangekondigd door de koninklijke Juno: het hoofd van een omstuimig paard, teken
van hun natie van oorlogsoverwinningen en overvloedig leven door de eeuwen
heen. Dido, de Sidonische, bouwde er voor Juno een grote tempel .....” (I,
441-47).
Virgilius prefereert de naam Dido, maar soms noemt hij haar
toch Elissa. Vigilius staat uitgebreid stil bij de stichting van Carthago (het
Byrsa verhaal). Byrsa stamt echter niet af van een stierenhuid, maar van b’rṢt
= in de gebieden.
Is Juno gelijk te stellen aan Aštarte?
Dido weigert de koning van de Libyërs te trouwen. Vigilius
noemt via Anna een naam:
“Dat niemand beweert
nagedacht te hebben over de smart in Libyë en daarvoor in Tyrus: het zij zo. Je
hebt Iarbas afgewezen en de andere chefs, die de aarde van Afrika voeden .....”
(IV, 35-38).
Deze Anna wordt genoemd door Virgilius, Naevus en Varro,
maar niet door Timaios.
Bij Virgilius komt de zelfmoord van Dido ook naar voren,
waarbij ze eerst alle achtergebleven spullen van Aeneas op een brandstapel
gooit:
“Toen, overmand door
de smart, verloor zij het verstand toen ze besloot te sterven en zij, in haar
eenzaamheid, koos in gedachten het uur en de manier. Hierna zocht zij haar
zuster op, die de overstelpende droefheid, tot uitdrukking komend op haar
gezicht, haar beslissing maskerend met het voorhoofd verlicht met hoop: ‘...
laat in het geheim een hoog vuur maken op de binnenplaats en dat men de wapens
neemt, die hij heeft achtergelaten aan de muren van zijn kamer, de goddeloze,
en al zijn kleding en de bank, waar wij zijn verenigd tot mijn ondergang. Het
pleziert mij om al die herinneringen aan deze afschuwelijke man uit te wissen
en de priesteres droeg mij dit op.” (IV 474-77).
Bij Virgilius doorboort zij zich tenslotte met een lans. De
eerste botsing tussen Rome en Carthago in de vorm van de personnages Aeneas en
Dido komt bij Timaios niet voor, maar wel bij Virgilius. Dat geldt ook voor de
stichtingsdata beider steden.
Trogus Pompeius (t.t.v.Augustus).
Hij schrijft een Historiae Philippicae, maar hier is vrijwel
alles van verloren gegaan. Justinus echter schrijft sommige stukken over.
“Toen Elissa in de
golf van Afrika was aangekomen zocht zij de vriendschap van de inwoners op die
plaats en die verheugden zich bij de aankomst van de vreemdelingen en over de
commerciële uitwisseling, die mogelijk werd gemaakt. Vervolgens werd op een
natuurlijke plaats , die door een koeiehuid kan worden omgeven rust gehouden
door de metgezellen, die vermoeid waren door de lange reis. Tot het moment
waarop zij opdracht gaf de huid in zeer smalle reepjes te snijden en op die
manier werd meer ruimte verkregen dan zij had gevraagd. Hier komt de naam Byrsa
vandaan, die aan deze plaats werd gegeven. Daarna brachten de inwoners van de
naburige plaatsen hun gasten talrijke handelswaar ter verkoop in de hoop op
winst en zij stroomden toe en vestigden hun huizen op deze plek. De overvloed
aan mensen vormde een soort nederzetting. Vertegenwoordigers van Utica brachten
eveneens geschenken aan degenen, die zij als hun landgenoten beschouwden en zij
raadden hen aan een stad te stichten, waar het lot hen had neergezet. De
Afrikanen waren ook verlangend om de nieuwkomers te behouden. Dat is waarom met
ieders toestemming Carthago werd gesticht door middel van een huurprijs voor de
grond, die door de stad in beslag werd genomen. Bij de eerste werkzaamheden
vond men de kop van een koe wat een zeker gunstig voorteken voor een stad is,
maar ook blootgesteld aan zorgen en eeuwige dienstbaarheid; hierom verplaatste
men de stad naar een andere plek. Op deze plek werd het hoofd van een paard
gevonden, een teken van strijdbaarheid en kracht en dat gaf de stad een stempel
van een gunstig voorteken. Vervolgens, aangetrokken door de reputatie van de
stad kwamen er steeds meer mensen, zodat de stad spoedig een grootsheid
verwierf.” (Justinus XVIII 5,8-17).
Bij Trogus wordt de stad in drie fases gesticht. Hij noemt
Dido slechts eenmaal in deze passage.
“Toen nu de zaken goed
gingen en de Carthagers aanzienlijke rijkdommen bezaten, kwam Hiarbas, de
koning der Muxitanen naar 10 van de belangrijkste Punische
hoogwaardigheidsbekleders en vroeg om Elissa te mogen huwen onder bedreiging
van een oorlog. De gezanten durfden dat niet aan de koningin te rapporteren en
kwamen aan met een Punische list door te zeggen, dat de koning om iemand vroeg,
die aan hem en de Afrikanen meer beschaafde gewoonten wilde leren; maar hoe
iemand te vinden, die zijn landgenoten wilde verlaten om naar de barbaren te
gaan, die als beesten leefden? Toen nu de koningin hen dat vroeg weigerden zij
een ruwer leven te gaan leiden en afscheid te gaan nemen van het vaderland,
waar zij hun eigen leven hadden, zelfs als de omstandigheden dat vereisten. Zij
onthulden de vraag van de koning met te zeggen, dat wat zij anderen
aanbeveelde, dat zij dat zelf moest doen, als zij nuttig voor de stad wilde
zijn. Verrast door deze list riep zij lange tijd de naam van haar echtgenoot
Acerbas aan, terwijl zij tranen met tuiten huilde onder het uiten van gejaagde
klachten en zij eindigde ermee door te antwoorden, dat zij zou gaan waar het
lot haar riep en dat van de stad. Nadat ze een uitstel van drie maanden had
verkregen, liet zij een brandstapel aan de rand van de stad maken en om de
zielen van haar echtgenoot gerust te stellen werd er een offer gegeven voor de
bruiloft, waarbij zij talrijke slechtoffers offerde en uitgerust met een zwaard
besteeg zij de brandstapel. Terugkijkend naar de mensen zei zij, dat zij naar
haar echtgenoot ging, zoals men het gevraagd had en met het zwaard maakte zij
een eind aan haar leven. Men vereerde haar als een godin, want Carthago werd
niet overwonnen. Deze stad werd 72 jaar voor Rome gesticht.” (Justinus
XVIII 6, 1-9).
Trogus volgt in grote lijnen Timaios. Virgilius geeft er een
Romeinse draai aan (Aeneas).
Appianus (165 na Chr).
Hij schrijft is zijn Romeinse historie:
Afgeweerd door de
Libyërs vroegen zij een stuk grond om er zich te vestigen ter grootte van de
huid van een stier. Voor de anderen was het een hilarisch gebeuren over de
gematigdheid van de Feniciërs en zij waren beschaamd om zoiets kleins af te
wijzen. Bovendien wisten zij niet hoe een stad in zo’n kleine ruimte geplaatst
kon worden en om deze list te doorgronden, beloofden ze het te geven en legden
een eed af. De anderen gingen de huid snijden tot een enkele erg smalle riem en
omgaven zo de plaats, waar zich nu de acropool van Carthago bevindt. Het is
hierom, dat men het Byrsa noemt.” (VIII, 1 [1]).
Carthagers en Romeinen worden samen aangehaald als bron. Wie
was/waren die Carthager(s).
Persoonsnamen.
-------------------
>>>>>>Pygmalion
of Phygmalion of Pumayyaton?
In Carthago komen we een medaillon tegen vanuit het einde
van de 8e eeuw v.C. Het luidt:
“Aan Astarte (‘štrt),
aan Pygmalion (pgmlyn), Yadamilk (yd‘mlk, zoon van Pady (pdy).”
Neanthes van Cyzikus (200 v.C)
heeft het over een koning van Cyprus van Fenicische oorsprong (Porphyrius, De Abstinentia IV,15). Hij zou de
grootvader van Adonis zijn.
Diodorus beschrijft de lotgevallen van de laatste koning van
Kition, welke in inscripties Pumayyaton
(Pmy(y)tn) wordt genoemd.
Flavius Josephus (en anderen) heeft het over de hier genoemde
koning van Tyrus als Pygmalion.
De naam Pgmlyn kan overigens iets heel anders betekenen dan
Pmy(y)tn, bijvoorbeeld:
Pmy + ‘lywn = Pmy, de zeer hoge
Pmy + ‘lyn = ‘lyn kan Ugaritisch zijn: ‘lyn-b‘l.
>>>>>>Acerbas of Sicheus?
Servius (2e helft 4e eeuw v.C) zegt
in een commentaar op Virgilius (I,34,3)
onder andere het volgende:
“Zij had als
echtgenoot Sycheus: iedere keer als de dichter namen met een ruwe
medeklinker-uitspraak tegenkomt, of namen, die moeilijk te plaatsen zijn in een
vers, dan verandert hij het, of hij schrapt wat. Sicheus werd Sicarbas genoemd, Belus, de vader van Dido, werd Mett(h)es
genoemd.”
In feite gaat het om de namen Sic(h)arbas en Mattan. En met
Sic(h)erbas zitten we al aardig dicht bij Acerbas.
>>>>>>>Dido = Elissa en Anna?
Varro (1e eeuw v.C).
“Varro zegt, dat het
niet Dido was, maar Anna, die zich in de brandstapel gooide, gedreven door de
liefde voor Aeneas.”
“Men moet goed weten,
dat Varro zegt, dat Aeneas door Anna werd liefgehad.”
Ateius Philologus
(29 v.C).
In een werk Charisius wordt geschreven:
“Didun: Ateius
Philologus heeft een werk uitgegeven met de titel: ‘Hield Aeneas van Dido
(Didun)’. “
Cn.Naevius (na 241 v.C).
In de Bellum Punicum noemt Naevius een zuster van Dido =
Anna. Het is een fragment uit de Aeneas (IV,9)
bij Servius aan Virgilius. Als Anna werkelijk bestaan heeft, dan moet ze
waarschijnlijk jonger zijn geweest, want Elissa is de stichtster en wellicht
regentesse.
Wie is Elissa? Volgens Dictionnaire/Lipinski.
’ l y š h : in het hebreeuws komt het voor in het Oude
Testament, als de zoon van Yavan (Ionia) [gen.10,4
+ kronieken 1,7]. Dit moet niet verward worden met ’ l s y h = Alashiya
= Cyprus. In Ezechiel wordt gerept over de eilanden van Elisha = plek waar het
purper vandaan komt. Ligt er een relatie naar ’Ulišeh = Ulysses = Odysseus.
Over het algemeen wordt Elissa toch als een legendarisch
figuur gezien doorspekt met mythe van Azoros / Karchedoon. Maar wat, als
Timaios en Flavius Josephus wel degelijk de Tyrische archieven goed hebben
weergegeven? Ook komt de naam in Carthago voor als ‘ l s t (Benz blz 172, 379).
Timaios Elissa Deidô
Strabo Dido
Paterculus Elissa Dido
Silius Italicus Elissa Dido
Naevius Dido Anna
Ennius Dido
Cato Elissa
Varro Dido Anna
Ateius Philologus Dido
Virgilius Dido
Trogus Elissa
Appianus Dido
Solinus Elissa
Eusebius Dido
Servius Dido
Flavius Josephus Elissa
>>>>>>Iarbas bij Virgilius, Hiarbas bij
Trogus/Justinus als de koning van Libyërs in deze streek.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten